Hyperinflatie tijdens de Franse Revolutie (Deel 1)

Hyperinflatie tijdens de Franse Revolutie (Deel 1)

In ons vorige artikel Stevenen de VS net als Duitsland in 1923 nu af op hyperinflatie? beschreven we hoe de Amerikaanse topbelegger Michael Burry zo ver ging dat hij de huidige ontwikkeling van de inflatie in de VS vergeleek met Duitsland ten tijde van de Weimar republiek van de jaren ’20 van de vorige eeuw. Bovendien vroegen we ons af of het wel klopte wat Burry beweerde. Om duidelijk te maken dat er vaak een hele reeks aan ingrijpende (geo)politieke en maatschappelijke ontwikkelingen vooraf gaat aan hyperinflatie, nemen we in dit artikel een andere beruchte periode van hyperinflatie onder de loep, te weten, het Frankrijk vanaf 1789.

In 1786 regeerde koning Lodewijk XVI over Frankrijk, op dat moment het machtigste land van de wereld. Terwijl een arbeider gemiddeld nauwelijks een livre per dag verdiende, gaf zijn vrouw, koningin Marie Antoinette, in dat jaar alleen al aan kleding – vooral jurken – 272.000 livres uit: twee keer zoveel als haar jaarlijkse toelage toeliet. Zij had dan ook als bijnaam Madame Déficit, Mevrouw Tekort. Niet alleen het koningshuis, maar ook de aristocratie en de Kerk leefden ver boven hun stand, terwijl ze geen van allen belasting betaalden.

Marie Antoinette
Marie Antoinette

De belastingdruk trof dan ook de armste klassen: tot 70 procent van het boereninkomen ging op aan belastingen. Toch leed de staat elk jaar grote tekorten, die werden aangevuld met leningen tegen hoge rentes. De staat balanceerde dan ook op de rand van de financiële afgrond. Daar kwam nog bij dat een reeks strenge winters in de jaren ’80 van de 18e eeuw hongersnood veroorzaakten voor een groot deel van de Franse bevolking.

Franse revolutie

Op 14 juli 1789 barstte de bom. Het Parijse volk bestormde de Bastille, de politieke gevangenis die het symbool vormde van de koninklijke macht en willekeur. De Franse Revolutie was uitgebroken. De Franse koningsgezinde aristocraten vluchtten naar het buitenland: naar Portugal, naar de Republiek, naar Hamburg en naar der Verenigde Nederlanden. Zij verloren al hun voorrechten. Voortaan was het gelijkheid, vrijheid en broederschap. Het staatsbestel ging op de schop. Er kwam een nieuwe, gekozen Nationale Vergadering waarin ook de derde stand, de gegoede burgerij, vertegenwoordigd was. En deze Vergadering probeerde de hopeloos slechte staatsfinanciën te verbeteren.

In 1789 dekten de inkomsten slechts 48 procent van de uitgaven. Zes jaar later, in 1795, zou dat dalen naar een schamele 8 procent! De Nationale Vergadering besloot daarom op 2 november 1789 het eerder al in beslag genomen grondbezit van de Kerk – een kwart van al het Franse vastgoed voor een totaalbedrag van ten minste twee miljard livres – als onderpand te gebruiken om geld uit te geven.

Assignaten

In december 1789 werden daartoe de assignaten geïntroduceerd: obligaties van 1.000 livres met een rente van 5 procent. Deze waren bedoeld als een tijdelijke maatregel, vooruitlopend op de mogelijkheid om hiermee de onteigende kerkelijke grond te kunnen kopen. Er werd voor 400 miljoen livres aan assignaten uitgegeven om de staatsschulden mee te betalen.

In maart 1790 was het duidelijk dat de belastinginkomsten zo zwaar tegenvielen dat het staatstekort opliep tot 294 miljoen livres. In april verklaarde de Assemblée daarom de assignaten tot wettig betaalmiddel. Hevige debatten volgden over een tweede emissie. Dit keer zouden 800 miljoen livres worden uitgegeven in eenheden van 300 en 200 livres. De groep van conservatieven zwaaiden met bundeltjes waardeloze Banque Royale bankbiljetten van het grote debacle uit 1720 van John Law, om duidelijk te maken waartoe dit zou leiden.

Op 29 september volgde goedkeuring van de emissie, met 508 stemmen voor en 423 stemmen tegen. De assignaten werden gebruikt om de uitgaven van een revolutionaire staat te financieren. Een staat die niet bij machte was belasting te heffen en te innen. In juni 1791 werd een derde uitgifte gedaan. Dit keer voor 600 miljoen aan assignaten. Eind 1791 was de totale waarde van alle uitgegeven assignaten al hoger dan die van de kerkelijke goederen die als onderpand dienden.

Oplopende inflatie

De inflatie liep sterk op en de assignaten waren intussen al gedaald naar 82 procent van hun oorspronkelijke waarde. Iedereen probeerde zijn geld zo snel mogelijk te besteden door zoveel mogelijk goederen te kopen. Gouden en zilveren munten verdwenen uit de circulatie. De aristocraten die het land al ontvlucht waren, hadden ook al hun goud en zilver meegenomen.

De staat spoorde de bevolking aan al haar goud, zilver en juwelen naar de munt te brengen. Goederen werden duurder en het geld daalde steeds verder in waarde. Investeringen en besparingen namen af, gokken en speculeren namen toe. Er ontstond een corrupte klasse die baadde in luxe en weelde. Een klasse die zich flink in de schulden had gestoken en die haar geld had gebruikt om kerkgoederen te kopen en die er veel belang bij had dat ze haar schulden kon aflossen met geld dat steeds minder waard werd.

Deze klasse drong er daarom sterk op aan meer geld uit te geven en maakte het volk wijs dat dit de enige manier was om de nationale economie te laten groeien. Hoe meer geld, des te meer rijkdom. Ook voor de armen. Daarom werd eind 1791 nog eens 300 miljoen livres aan assignaten uitgegeven. Was voor de laatste uitgifte de koers van de assignaten met een nominale waarde van honderd livres al met 20 procent gedaald, kort erna ging er nog eens 12 procent van af.

Frans bankbiljet uit 1790
Frans bankbiljet uit 1790

Daling valuta

Steeds meer krantenartikelen en pamfletten wezen erop dat een gedevalueerde munt een zegen was en dat goud en zilver een onhandige rekenstandaard waren. Ondanks alle pleidooien voor het papiergeld daalde dit steeds verder in waarde. De assignaten van 100 livres nominale waarde waren in maart 1792 nog slechts 53 livres waard.

De livre was tussen juni 1791 en maart 1792 tegenover buitenlandse valuta al met 20 procent in waarde gedaald. Dit wakkerde de prijsstijgingen nog verder aan, vooral die van graan. De lonen echter waren hetzelfde gebleven en hadden dus bijna de helft aan koopkracht ingeleverd. Op 30 april 1792 volgde een vijfde uitgifte van livres. Dit keer werd voor 300 miljoen uitgegeven. In juli werd opnieuw voor eenzelfde hoeveelheid aan geldpapier uitgegeven.

In de loop van 1792 werden er nog eens vele honderden miljoenen bijgedrukt, gedeeltelijk in coupures van slechts enkele livres. Op 14 december 1792 volgde een officiële verklaring dat er in totaal voor 3.500 miljoen aan papiergeld was uitgegeven, waarvan intussen 600 miljoen was vernietigd zodat er nog steeds 2.900 miljoen circuleerde. De almaar aanhoudende inflatie had de koopkracht van het geld zo aangetast dat veel dagelijkse goederen onbetaalbaar waren geworden.

Veel winkeliers weigerden hun spullen te verkopen voor geld dat steeds minder waard werd. Er gingen stemmen op om alle verkopers die weigerden hun goederen te koop aan te bieden de doodstraf te geven. Ook werd er aangedrongen om een extra belasting voor de rijken in te stellen voor een totaalbedrag van 400 miljoen livres, die dan gebruikt kon worden om brood te kopen.

Wordt vervolgd...

Klik hier voor deel 2

Eric Mecking

Eric Mecking

drs. Eric Mecking is historicus, schrijver, spreker, financieel-economisch analist en adviseur. Hij heeft zich gespecialiseerd in cyclisch denken en beursanalyses. Zijn unieke cyclische beleggingssysteem - Trend Tracker - gebruikt hij om te handelen op de financiële markten en om de belangrijkste beursontwikkelingen bij te houden voor Geotrendlines.

Lees alles van Eric Mecking »